Nederland weer van ons

Op grond van artikel 13b van de Opiumwet (ook wel de Wet-Damocles genoemd) kan de burgemeester een last onder bestuursdwang opleggen, bijvoorbeeld sluiten van een woning of lokaal. Voorwaarde hierbij is wel dat in de woning of lokalen drugs worden verkocht, afgeleverd, verstrekt of voor die doeleinden aanwezig zijn. Die slui-tingsbevoegdheid geldt echter niet als in een pand geen drugs worden aangetroffen, terwijl er wel voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die duidelijk bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs. Denk bijvoorbeeld aan bepaalde apparatuur (drugslabo-ratorium), chemicaliën (apaan, zoutzuur) of versnijdingsmiddelen.

Het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken regelt dat de sluitingsbevoegdheid ook geldt in geval van dergelijke strafbare voorbereidingshandelingen. De slagkracht van de burgemeester tegen het produceren, verhandelen en bezit van drugs wordt hiermee groter. Overigens is het wel een beetje dubbel: burgemeesters kunnen hierdoor panden eerder sluiten, maar er zijn ook burgemeesters die er voor lobbyen om in aanmerking te komen voor het experiment met het telen van wiet. Ik mag toch hopen dat ook die burgemeesters straks voortvarend met dit wetsvoorstel aan de slag zullen gaan.

Voorzitter, ik hoef de minister niet lang in spanning te houden. Ik kan meteen bevestigen dat mijn fractie voor dit wetsvoorstel is. Het is een stapje in de goede richting.

Ik heb toch wat meer spreektijd gevraagd, omdat ik het debat over dit wetsvoorstel graag wil gebruiken in een poging een echte stap voorwaarts te kunnen doen in de slagkracht van de politie en het Openbaar Ministerie in de strijd tegen synthetische drugs. De minister is op werkbezoek geweest bij de Taskforce Brabant-Zeeland. De minister heeft gisteren ook gesproken op de 35e International Drug Enforcement Conference. De minister heeft gezegd: “drugs worden geassocieerd met een ‘happy time‘, alsof het erbij hoort. Ik accepteer die acceptatie niet. Achter een pil of ‘lijntje’ schuilt een wereld van keiharde criminaliteit; liquidaties, witwassen, corruptie, fraude en milieucriminaliteit. Drugs zijn het fundament van een ondermijnend systeem, en de acceptatie van drugs maakt de drempel lager om dat systeem in stand te houden.”

Woorden waar ik het helemaal mee eens ben. Maar liever daden dan woorden en daarom wil ik het debat over een vangnetbepaling in de Opiumwet nieuw leven inblazen. De minister heeft tijdens zijn bezoek aan de Taskforce vast gehoord over de grote wens voor een dergelijke bepaling bij de agenten op de werkvloer in de strijd tegen de synthetische drugs- en precursorencriminaliteit. En de minister heeft zelf tijdens het algemeen overleg op 22 februari jongstleden gezegd dat hij in gesprek gaat met België en Duitsland die ervaring hebben met een generieke strafbaarstelling van precursoren, ofwel stoffen die gebruikt worden voor het maken van synthetische drugs.

Het is dus ook niets nieuws. In een aangenomen motie in 2012 heeft mijn fractie al gevraagd naar de mogelijkheden van een generieke strafbaarstelling. En ook voormalig collega Kooiman heeft de minister in het verleden gewezen op het belang van een vangnetbepaling. Ik begrijp dat het juridisch niet eenvoudig is, maar dat maakt de uitdaging alleen maar groter. En de belangen zijn groot. De minister heeft gisteren nog aangegeven dat Nederland wereldwijd bekend staat als producent van synthetische drugs.

Daarom heb ik zelf het voortouw genomen en heb ik een amendement voorbereid. Ik wil eerst even de reactie van de minister in eerste termijn afwachten alvorens het in te dienen. Of ik kan het indienen, zodat de minister het in de schorsing van het debat kan beoordelen en het vervolgens eventueel aanhouden. Want het gaat mij niet om een politiek succes vandaag, maar om een adequaat instrument in de strijd tegen de synthetische drugs. Iets waar de minister ook een voorstander van is. Mogelijk levert het debat een afgewogen tekst op die in de Opiumwet kan worden opgenomen. Derhalve zal ik nu wel alvast de toelichting bij het amendement geven.

De Opiumwet regelt alleen de hard- en softdrugs, ofwel de Lijst I- en lijst II-middelen. Precursoren, ofwel stoffen bedoeld voor de vervaardiging van synthetische drugs vallen daar niet onder. Artikel 3a lid 5 van de Opiumwet regelt dat de minister een middel onverwijld kan verbieden, maar hierbij gelden twee limitatieve voorwaarden. Ten eerste moet dit bij ministeriële regeling en ten tweede moet gelijktijdig een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur met dezelfde inhoud door de minister van VWS ter beoordeling aan de ministerraad wordt aangeboden. Die weg is te lang om snel te kunnen optreden.

De enige route is nu de Wet voorkoming misbruik van chemicaliën. Dit komt er op neer dat de politie een bepaalde stof eerst meerdere malen in de praktijk moet zijn tegengekomen. Vervolgens moet de betreffende stof via de EU in de bijlage bij één van de EU-verordeningen worden opgenomen. Pas dan is sprake van een geregistreerde stof waartegen via artikel 4 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën kan worden opgetreden. Dit maakt het snel en adequaat inspelen op nieuwe stoffen die gebruikt worden door de criminelen, onmogelijk. Het kat- en muisspel met de georganiseerde drugscriminaliteit wordt zo niet gewonnen, want voordat een stof op de lijst staat, is de samenstelling zodanig aangepast, dat er wederom een juridisch gat bestaat.

Ik hoor graag de reactie van de minister op dit punt. Want zoals ik al heb gezegd, de politie en het Openbaar Ministerie hebben behoefte aan een adequaat instrument in de strijd tegen de synthetische drugs. En om de minister nog verder te overtuigen: bijna alle landen in Europa hebben inmiddels wetgeving inzake de zogenoemde Nieuwe Psychoactieve Stoffen. Nederland loopt op dit punt ver achter. Wat zou het mooi zijn als de minister hier vandaag kan aangeven dat we een inhaalslag gaan maken. Dat past mooi bij hetgeen hij heeft gezegd tijdens de conferentie die op dit moment nog bezig is.

Want voorzitter, in goed Nederlands: “crime is constantly on the move, so we must move with it.”

Amendement

In de Opiumwet wordt gewerkt met twee lijsten drugs. Op lijst I staan drugs met een onaanvaardbaar risico (zoals cocaïne, amfetamine, XTC, heroïne en LSD). Op lijst II staat de hennepplant waar hasj en wiet van gemaakt wordt. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen middelen aan de genoemde lijsten worden toegevoegd.

Naast de ‘klassieke’ drugs bestaan de zogenoemde Nieuwe Psychoactieve Stoffen (NPS), die in de volksmond ook wel ‘designer drugs’ worden genoemd. Deze synthetische drugs hebben hetzelfde effect als de klassieke drugs. NPS-en staan echter niet vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I of lijst II en zijn dan ook niet via deze weg strafbaar.

De synthetische drugs zijn om twee redenen een gevaar voor de maatschappij. Ten eerste is er een gevaar voor de volksgezondheid, omdat onduidelijk is wat de precieze samenstelling van de pil of het poeder is. Ten tweede wordt in de criminele praktijk grof geld verdiend met de productie van en de handel in synthetische drugs.

Het is dan ook noodzakelijk dat in een zo vroeg mogelijk stadium tegen het vervaardigen, bewerken of aanwezig hebben en/of het handelen in (pre) precursoren kan worden opgetreden en niet hoeft te worden afgewacht tot een nader omschreven stof op de lijst van de Opiumwet of andere relevante wetgeving is opgenomen wanneer gelet op de omstandigheden waarin de betreffende stof wordt aangetroffen redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze is bedoeld om Lijst I- of lijst II-middelen te vervaardigen.
Als voorbeeld wordt genoemd de hoeveelheid waarin de stof wordt aangetroffen en de locatie waar de stof wordt aangetroffen.

Het probleem is momenteel dat (pre) precursoren bedoeld voor de vervaardiging van synthetische drugs dan wel verdovende middelen nu via een (te) lange weg strafbaar worden gesteld op grond van de Opiumwet dan wel de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Dit maakt het snel en adequaat inspelen op nieuwe stoffen die gebruikt worden onmogelijk.

Het huidige artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet voorziet weliswaar in de mogelijkheid voor de minister om een middel onverwijld te verbieden, waarbij de totstandkoming van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste of tweede lid niet kan worden afgewacht. Daarbij gelden echter twee cumulatieve voorwaarden: 1. het middel moet daartoe bij ministeriële regeling worden aangewezen en 2. tegelijk met de vaststelling van deze ministeriële regeling moet het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur met dezelfde inhoud ter beoordeling aan de ministerraad worden aangeboden. Deze procedure vergt echter teveel tijd met als gevolg dat dan weer een nieuw, bijna gelijkend middel, is gevonden dat als bestanddeel voor een synthetische drug kan dienen. Dit zogenoemde kat- en muisspel is met genoemd wetsartikel dan ook niet te winnen.

De uitbreiding van de Opiumwet met deze vangnetbepaling heeft als doel de juridische kansen voor de opsporing en de vervolging op grond van de Opiumwet voor de praktijk te vergroten.

Helder

 

facebooktwitterinstagrammail

We hebben 5690 gasten

donaties

doneer

Nederland
English