Voorzitter,


Het wetsvoorstel verruimt de mogelijkheden van het dna-onderzoek in strafzaken. Het dna-onderzoek naar uiterlijk waarneembare persoonskenmerken kan nu ook worden ingezet ten behoeve van de identificatie van overleden slachtoffers in het kader van opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten en dat is goed. 

Als ik het goed heb begrepen, dan is het met deze verruiming ook mogelijk om celmateriaal af te nemen van een onbekend, overleden slachtoffer en dit te vergelijken met het dna-materiaal dat is opgeslagen in de dna-databank voor vermiste personen en ongeïdentificeerde lijken. Op die manier is er nog een mogelijkheid gevonden om een einde te maken aan de vermissing van een persoon en daarmee aan de onzekerheid bij de nabestaanden. 

Maar ik heb daar wel nog een vraag over aan de staatssecretaris. In de memorie van toelichting (**) is opgenomen dat het niet mogelijk is om een dna-onderzoek te verrichten waar het een vermiste verdachte betreft en waarbij geen sprake is van een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Hoewel het in de huidige wetgeving ook niet mogelijk is om dna-materiaal van een verdachte te vergelijken als degene niet verdacht wordt van een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, maakt de vermissing van deze persoon dit in het wetsvoorstel niet anders. Maar is de vermissing op zichzelf niet een reden om hier toch anders mee om te gaan? 

Daarnaast is het ook positief dat in strafzaken gebruik gemaakt kan gaan worden van het verwantschapsonderzoek. Vanzelfsprekend kan aan dit onderzoek pas worden toegekomen wanneer het klassieke dna-onderzoek (*) niet tot resultaat heeft geleid. Voorkomen dient te worden dat onschuldige derden bij een strafrechtelijk vooronderzoek worden betrokken. Maar als het niet anders kan, dan prevaleert de opsporing van de verdachte, omdat het hier in de regel gaat om zeer ernstige misdrijven die grote maatschappelijke onrust veroorzaken, zoals ernstige zedenmisdrijven. De in het wetsartikel opgenomen voorwaarden, het bevel van de officier van justitie, na een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris lijken vooralsnog afdoende. 

Samengevat: de PVV  kan instemmen met de verruimde mogelijkheden voor het dna-onderzoek. Maar, voorzitter, het mag natuurlijk nooit zover gaan zoals de korpschef van het korps Rotterdam-Rijnmond, de heer Paauw, heeft bepleit. Het opnemen van dna-materiaal van iedere Nederlandse burger in de dna-databank is onzinnig. Het is ook de omgekeerde wereld. Een verdachte is niet verplicht mee te werken aan zijn eigen veroordeling, waarom een onschuldige burger wel?

 

Dank u wel.